Algemeen:

Cultuurfactorij "De Koperen Leeuw" :

Toneelvereniging Excelsior vzw permitteerde zich in 1996 een eigen speel-, leef- en werkruimte aan de Tieltsesteenweg nr.30/1 te 9900 Eeklo.

Deze ruimte groeide uit tot een echt gezellig café-theatertje met 95 zitplaatsen en kreeg de naam "Cultuurfactorij De Koperen Leeuw".

De Koperen Leeuw is voorzien van een ruime parking.
klik hier voor meer foto's

koperenleeuw

Naast de eigen repetitieruimte is het de bedoeling om tijdens het theaterseizoen elke maand zowel eigen - als gastprodukties te brengen.

Ook staat de cultuurfactorij ter beschikking van andere verenigingen en is het een ideale plaats voor try-out's.

klik hier voor programma

klik hier voor contact/reservatie info

Toneelvereniging Excelsior vzw - Eeklo:

Op een mooie zondagmorgen in september van het jaar 1945 staken drie enthousiaste dertigers, die reeds voor de oorlog actief geweest waren in Lust naar Kunst en nadien ook in Eekloo’s Toneelgezelschap, namelijk Charel Corné, Gaston Van De Woestyne (+ 1984) en Prosper Delcourt (+ 1975), de koppen bij elkaar en stichtten Tooneelbond Excelsior, d.w.z. hoger op, een leuze die men toen in kunstkringen vaker hoorde.

De eerste prestatie van de “Katholieke Tooneelbond” kwam op donderdag 22 november 1945 met “Lente” van Gerard Walschap in regie van Carel Corné. Excelsiors tweede avondvullend stuk had plaats op 21 februari 1946 en heette “Als ma aan de touwtjes trekt” (H. Nauwe junior), een komedie, waarvoor men voor het eerst een beroep deed op een beroepsregisseur. De keuze viel op Herman Van der Meulen, een geroutineerd acteur en leraar aan de Koninklijke Toneelschool van Gent, die reeds in de jaren dertig bij de Liberale Jonge Wacht in Eeklo zijn sporen als regisseur had verdiend. Hij zou tot 1965 huisregisseur van Excelsior blijven en we kunnen zonder overdrijving zeggen dat hij generaties toneelamateurs in Eeklo gevormd heeft. Een maand later bracht de toneelbond “De vreemdeling” (Anton Coolen) in regie van Charel Corné, een heropvoering van het stuk dat de bond tijdens de oorlog gespeeld had. In oktober 1946 kwam “De Butler” (J. Fabricius) voor het voetlicht en in maart 1947 kwam “Inkeer” (A. Bromet). Hoogtepunten uit de jaren 1950 waren “De dames met de groene Hoedjes” (G. Acrément) en het “Chinese Landhuis” (M. Osman en J. Corbet). “Bazin en Knecht” (Th. Op de Beek) werd “het beste van de laatste jaren” genoemd. Na die voorstelling werd de kern van Excelsior, Charel Corné, Prosper Delcourt, Gaston Van De Woestyne, Yvonne Van Acker en Firmin Kryger gelauwerd voor 25 jaar toneelspeelkunst. In “Mevrouw Pilatus” (Willem Putman), opgevoerd in maart 1953, was er een glansrol weggelegd voor Gaston Van De Woestyne. Een stuk waarmee Excelsior het vaakst en met het meest succes naar voren kwam, is ongetwijfeld “Paradijsvogels” (Gaston Martens), dat in februari-maart 1953, september 1955, februari 1961 en november 1975 in het totaal 18 keer in het dialect werd opgevoerd. In de volgende jaren zou de toneelbond van dialectstukken een traditie maken met “Filosoof van Hagem” (J. Scheirs, 1956), “Het Dorp der Mirakelen” (G. Martens, 1957), “Kinderen van ons Volk” (A. Coolen, 1958), “Slissen en Cesar” (J. Verten en J. Gevers, 1962-1963), “Het Gezin van Paemel” (Cyriel Buysse, een coproductie in 1974), “En waar de Ster bleef stille staan” (Felix Timmermans, 1977-1978), “Peegie” (W. Denys en W. Putman, 1978-1979), “Zwijg Kleinen” (F. Kusz, 1981), “Mielken” (D. Verstraete, 1982) en “Mijne Schôônzeune is nen Ollandere” (R. De Ridder, 1985). De hoogtepunten uit de tweede helft van de jaren vijftig waren “Rebecca” (Daphne du Maurier, 1955), “Het Wonder” (N. Manzari, 1956) en “De Regenmaker” (R. Nash, 1958). De publieke belangstelling was toen eerder gering, want de meeste stukken kenden maar één opvoering, wat voor de spelers erg ontmoedigend was en meestal financieel onvoldoende om uit de kosten te komen.

Omstreeks het midden van de jaren zestig kam er een verjonging van het spelerspotentieel en jonge regisseurs kwamen de ouder wordende Herman Van der Meulen opvolgen : Jaak Vissenaken regisseerde “Mijn Naam is Judas” (C.A. Puget, 1964), Oswald Maes leidde “Valstrik voor een Man alleen” (R. Thomas, 1965) en Bert De Wildeman nam de regie van “Gaslicht” (M. Hamilton, 1966) op zich. De popularisering van de televisie op het einde van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig betekende een dieptepunt voor het amateurtoneel in Vlaanderen en voor Excelsior in het bijzonder. Toen nam de Culturele Raad onder voorzitterschap van Frans De Vliegher een mooie initiatief om de Eeklose toneelverenigingen Excelsior, Masker 56 en Korona 58 samen te brengen in een tweetal coproducties. De verenigde toneelliefhebbers gooiden grote ogen met “Ons Stadje” (Th. Wilder, mei 1972) in een regie van Roger De Wilde en “Het Gezin van Paemel” (Cyriel Buysse, 1974) geregisseerd door Jo De Meyere, waarschijnlijk het beste wat ooit door amateurs in Eeklo op de planken werd gezet.

Een poging van vernieuwing en modern toneel die het Eeklose publiek niet naar waarde schatte, was “Het Verjaardagsfeest” (Harold Pinter, 1976) in de regie van Anton Cogen. Dus maar weer op de heimat- en dialecttoer met “En waar de Ster bleef stille staan” (Felix Timmermans, 1977-1978) en “Peegie” (W. Denys en W. Putman, 1978-1979), beide stukken in regie van Herman Coessens. In november 1980 kende Excelsior een enorme bijval met “Maak plaats Mevrouw” (R. Coonen en J. Chapman), een lichtvoetige komedie waarin ook regisseur Oswald Versyp meespeelde. In november 1981 bracht Excelsior een reeks succesrijke voorstellingen van “Zwijg, kleinen!” (F. Kusz, regie Oswald Versyp), Filip Lepez regisseerde “Eénentwintigen” (Rudi Geldhof) in maart 1982 en voor “Mielken” van een Eekloos schrijver, Dirk Verstraete, deed Excelsior weer een beroep op Herman Coessens voor de regie. Elf voorstellingen in november 1982 trokken meer dan 5000 toeschouwers naar de Gouden Leeuw. Vijftien jaar na “Een Inspecteur voor u” (J.B. Priestley, 1968) probeerde de toneelbond het weer eens met een thriller : “Excelsior vermoordt Pianiste” (P. Pörtner, 1983) geregisseerd door Eddy Vereycken. In samenwerking met Jaycees Meetjesland kwam in april 1984 “De Drij Muilkes” tot stand, een poëzie- en prozaprogramma rond de Drie Zustersteden van K.L. Ledeganck. “De Deur staat open” (D. Benfield, 1985) kon het Eeklose theaterpubliek maar matig interesseren, daarom zocht toneelvereniging Excelsior voor de viering van haar 40- jarig bestaan een kaskraker en vond “Mijne Schôônzeune is nen Ollandere” (R. De Ridder), waarmee in december 1985 een punt werd gezet achter de toneelactiviteiten in de Gouden Leeuw, veertig jaar lang de thuishaven van Excelsior. Meteen viel Excelsior in een diep gat : bij gebrek aan een goed bespeelbare zaal. Er werd naar alternatieven gezocht, maar men vond geen haalbare. De opvoeringen van “Thuis” (Hugo Claus, 1988) in regie van Martine Werbroeck en “Eiken wijken niet” (Dirk Verstraete, 1989), een historische evocatie ter gelegenheid van 750 jaar Eeklo waren goedbedoelde pogingen om het toneelvuur brandende te houden en te overleven. Beide producties waren zwaar verlieslatend en in die omstandigheden zou verder spelen financieel de ondergang van de toneelvereniging betekend hebben. Het werd wachten op de voltooiing van het Cultureel Centrum om opnieuw van start te gaan. Toen bleek dat er bij de opening van de Herbakker in oktober 1993 voor de Eeklose verenigingen geen plaats was, vielen de initiatieven (onder meer om te openen met een coproductie van de Eeklose toneelverenigingen) weer stil en was het wachten op een nieuwe gelegenheid. Die bood zich aan in de vorm van het Festival van de Tweevoeter, dat door de Culturele Raad georganiseerd werd. In april 1994 werden de koppen samengestoken en werd uitgekeken naar een goed stuk. De keuze viel op een komedie van het Italiaanse theaterfenomeen Dario Fo “Wij betalen niet”, in een regie van Didier Delmotte. Daaruit kon moed en motivatie geput worden om in 1995 het 50-jarig bestaan van Eeklo’s oudste toneelvereniging op een waardige wijze te vieren. In dat jaar leidden contacten met Anton Cogen - die twintig jaar voordien reeds bij Excelsior geregisseerd had - tot het totstandkomen van een groots einde jaars- theatergebeuren onder de titel “Excelsior pikt 50 sterren” een ludieke bewerking van Michel de Ghelderodes “Le Voleur d’Etoiles”, dat plaatsgreep in De Herbakker te Eeklo op 29, 30 en 31 december 1995. In de afgelopen 50 jaar heeft Excelsior een indrukwekkende bladzijde in Eeklo’s toneelgeschiedenis geschreven. In die jaren speelde de toneelvereniging 92 stukken en kon ze een beroep doen op meer dan tachtig acteurs en andere medewerkers. Een belangrijke traditie in Excelsior is het engageren van een beroepsregisseur. Zoiets kost geld, maar het loont de moeite. Met Herman Van der Meulen zette het toneelgezelschap tot diep in de jaren vijftig grote successen op de planken, waarvan “De Paradijsvogels” nu nog het meest tot de verbeelding spreekt. Andere bekende namen zijn o.a. Roger De Wilde, Jaak Vissenaken, Bert De Wildeman, Jo De Meyere, Anton Cogen, Herman Coessens, Oswald Versyp, Filip Lepez, Eddy Vereycken, Martine Werbrouck en Didier Delmotte, ze betekenden een enorme steun en verrijking voor de spelers!

In 1996 was het Excelsior beu van hot naar her te verhuizen en werd er naar een vaste repetitieruimte uitgekeken. Eeklo's oudste toneelvereniging onderging een facelift en ging de vernieuwende theatertoer op. Daarom permitteerde het gezelschap zich een eigen speel-, leef- en werkruimte, aan de Tieltsesteenweg nr. 30, veilig gelegen, omgeven door Begrafenisondernemer Smet en Elektro De Cocker, voorzien van een ruime parking. Dit theater kreeg de naam van CULTUURFACTORIJ "DE KOPEREN LEEUW", een gezellig kamertheater met 90 zitplaatsen, een cultuurtempeltje dat de weemoed om de verloren gegane traditie van het 'Gouden Leeuw'-tijdperk bindt aan de dynamiek van een 20-tal jonge en niet-zo-jonge mensen met een experimentele bezetenheid en een flinke dosis heilig vuur, zodat we met enige zekerheid kunnen stellen: Les héros ne sont pas fatigués! Na een jaar zwoegen, in september 1997, ging De Koperen Leeuw open. De bedoeling is dat het publiek naast een avond (zo) goed (mogelijk) theater in de bar nog eens gezellig kan nakaarten, een formule die blijkbaar bij theaterliefhebbers aanslaat. Het programma van het seizoen 1997-1998 omvatte o.m. Jo De Meyere met Juvenalis, een eenakterfestival met drie Meetjeslandse toneelverenigingen, Het gezelschap van de schone schijn met Black Cat en Poetry, Marijke De Winne met Omdat statistieken niet liegen, Les trois Jeannes, een eigen cabaretprogramma in regie van Peter Strynckx, Jo De Caluwe met Och heere God, een monologenfestival en alweer Excelsior met een wrange komedie Zwart is zo somber. Buiten de eigen theaterproducties inviteert Excelsior dus gastgezelschappen, organiseert theateropleiding, concerten/optredens en literaire avonden en verhuurt zijn ruimte aan derden voor repetities of voorstellingen.